Akademie voor Kleinkunst

Het ontstaan

In 1959 kondigde Cor Lemaire, de toenmalige componist van Annie M.G. Schmidt, twee door hem te geven cabaretcursussen aan: Eén voor tekstschrijvers en één voor uitvoerende artiesten. Ik schreef in voor beide cursussen. De performance-cursus viel tegen, want Lemaire was weliswaar een voortreffelijk componist en pianist met veel ervaring in het muzikaal begeleiden van uitvoerende kleinkunstenaars, maar verder dan wat nuttige tips ging het toch niet. Maar de cursus tekstschrijven leverde een aantal leuke contacten op met andere aankomende schrijvers.

Samen richtten we de Werkgroep Nederlands Cabaret (WNC) op om als collectief aandacht te vestigen op onze kwaliteiten. Via een persconferentie sleepten wij een opdracht binnen van Karel Prior, bekend radioproducer bij de AVRO, voor het maken van drie liedjesprogramma’s. Enthousiast leverden wij een aantal teksten, waaruit Prior zijn keuze maakte. Zo werden eind ‘59-begin ‘60 de drie programma’s opgenomen met als uitvoerende artiesten Connie Stuart, Kees Brusse, Joop Doderer en Luc Lutz. De uitzendingen trokken uiteraard niet de aandacht van het grote publiek. Kleinkunst op de radio kon niet tippen aan populaire programma’s als ‘Moeder’s wil is wet’ en ‘Arbeidsvitamine’, maar het was een mooi begin.


Tijdens de voorbereidingen met de schrijversgroep voor Prior’s programma opperde ik het idee om wat te doen aan de hoge kosten van het nemen van lessen. Ik wilde een aantal gerenommeerde docenten in verschillende disciplines samenbrengen om aankomende kleinkunstenaars een combinatie van lessen aan te bieden voor een betaalbare prijs. Ook uit eigen belang, omdat ik die lessen privé gewoon niet kon betalen. Maar het zou meteen een kweekvijver van talent kunnen worden voor het uitvoeren van onze teksten. Het idee werd goed onthaald. We bespraken een plan en ik polste wat docenten, maar toen de begroting op tafel kwam met een te investeren bedrag voor o.a. advertenties, gaf er ineens niemand thuis. Een paar wilden dan wel in het bestuur gaan zitten, maar ik moest wel voor eigen rekening en risico de directie op me nemen en zien dat ik de financiën rond kreeg.

Daar zat ik dan. Ik had me persoonlijk sterk gemaakt tegenover een aantal aanstaande docenten van naam en zelfs al via de gemeentelijke Gebouwendienst een redelijk betaalbaar buurtgebouwtje in Betondorp gevonden. Het was me toch echt mijn eer te na om iedereen met de staart tussen de benen te moeten afzeggen. Zo werd ik dus van het ene moment op het andere directeur tegen wil en dank.

Ik richtte een stichting op, tekende een huurkontrakt voor de ruimte in Betondorp, timmerde er eigenhandig een podium in en installeerde er een schakelbord voor toneelverlichting, die door een erkend installateur (ook weer gratis!) werd goedgekeurd met de vraag of ik niet bij het bedrijf wilde komen werken.

Van revueproducent René Sleeswijk mocht ik in zijn opslag in Carré tussen niet meer gebruikte spullen komen neuzen. Ik kwam terug met een paar spots en schitterende paarsfluwelen toneelgordijnen, waarmee ik ons hele toneel kon voorzien van poten, een prosceniumdoek en een voordoek. Er was nu dus één klaslokaal en een eigen theatertje om in te repeteren!

Met wat eigen geld en veel bedelen om gratis medewerking kwamen er advertenties, een persconferentie en vervolgens audities voor “De Cabaretschool” met een 3-jarig lesprogramma.

Het lesgeld bedroeg duizend gulden per jaar en wie het echt niet kon betalen kwam in aanmerking voor een (gedeeltelijke) studiebeurs.


De grote opkomst bij de audities liet al direct zien dat het initiatief een schot in de roos was. In october 1959 ging de eerste klas van start in de avonduren met lessen in zang, spraak, acteren, beweging en cabaretgeschiedenis.

Docenten waren o.a. Georgette Rejewsky (spraak), Bep Ogterop (zang), Ruud Bos (muziek), Nettie Hart (acteren) en Chris vd Velden (dans).

Bekend geworden studenten van dat eerste jaar: Donald de Marcas, Jasperina (toen nog Pinie) de Jong, Frans Halsema, Ronnie Bierman, Mary Michon en Loesje Hamel.

vlnr: Ronnie Bierman, Toke Besse, Joop Schutten, Aaf v Enkhuizen, Donald de Marcas, Nico Leenders, Coby de Graaf, Arie Schermer, Robert Bos, Hans Sudmeijer. Voor de piano: Frans Halsema en Bob.

Financieel was de zaak nog lang niet rond. De lesgelden dekten de lopende kosten alleen als er van alle kanten gratis of bijna gratis werd meegewerkt. Dat gold ook voor mijzelf. Er moest dus veel gebeuren. Zelf lessen volgen was er ook niet meer bij. Gewoon geen tijd voor.

Ik was dag en nacht in touw om de zaak van de grond te tillen. Veel praten met allerlei mensen in belangrijke functies, die ik meestal op goed geluk uit het telefoonboek benaderde, maakte onder meer duidelijk dat de opleiding een bestuur van “zwaargewichten” moest krijgen om in aanmerking te kunnen komen voor een structurele subsidie. Ik vond ad hoc docent en bekend TV-regisseur Jack Dixon, bereid om tijdelijk voorzitter te willen zijn en om te helpen zoeken naar bestuursleden met maatschappelijk aanzien. Na een aantal maanden was het bestuur van de Stichting Werkgroep Nederlands Cabaret compleet. Mr. Baron Louis de Bourouil als voorzitter, Rob Herzberg als penningmeester en Jack Dixon als secretaris. Later kwam daar nog Mr. Weesing-Bakker bij.

Ik had ondertussen een kleine sponsoring bij platenmaatschappij Phonogram losgepeuterd, de Nederlandse Televisie Stichting volgde met een zelfde bedrag en ik kreeg klusjes los voor betaalde figuratie in reclamespotjes en in bekende TV-programma’s als “Artiestencafé” en “Publieke Tribune”, etc. Regisseur Gijs Stappershoef maakte in mei van dat eerste jaar met studenten een TV-versie van “Officer Krupky” uit de musical Westside Story. En Jack Dixon regissseerde in juni een openbare les van de hele eerste klas voor de VPRO-televisie. Toon Hermans en Wim Sonneveld kwamen elk een avondje over hun eigen ervaringen vertellen. Verder zette ik cabaretgroepjes op, waarmee we her en der optraden.

vlnr: Cabaret Benelux met vlnr Theo Dol, Tinka Bouber, Rob de Nijs, Wiesje Backer, Lydia v Exter, Bob Bouber, Mary Michon

Hoe ik zelf met een vrouw en twee dochters het hoofd boven water hield, weet ik niet meer zo, maar “geen vetpot” was met glans het overstatement van dat jaar.

Bovendien moest ik alweer op zoek naar een nieuwe of extra lokatie, want het nieuwe lesjaar kwam er aan en daar hadden we in Betondorp geen ruimte voor.

Ik vond de manager van het bekende Minervapaviljoen aan de Minervalaan bereid om voor een minimale huurprijs voor het tweede leerjaar een leslokaal beschikbaar te stellen.

Voor de nieuwe lichting meldden zich o.a. Martin Brozius, Matthijs van Heiningen en Rob de Nijs. Met Rob trad ik wat later regelmatig op als gelegenheidsduo met vaudeville-achtige liedjes, zoals Don’t bother father while he’s at the bar. "Ken je't nog, Robbie?" Rob's moeder maakte het prachtige kostuum voor mijn “Chally Chan, beloemd Chinees detectiveman”.

Ook Martin Brozius zou jaren later deel uitmaken van mijn show in Scheveningen.

Don't bother father while he's at the bar

Meestel Chally Chan



















Opvallend was trouwens het uitblijven van support uit de hoek van Amsterdamse kleinkunstondernemers. Kees Manders, succesvol nachtclubeigenaar op het Thorbeckeplein en manager van zangeres Zwarte Riek, weigerde ook maar iets bij te dragen aan een vakopleiding. “Daar geef ik geen cent aan uit”, vond hij. Sieto Hoving, bekend eigenaar/bespeler van cabarettheater Tingel-Tangel, deed alleen maar schamper. “Kon nooit wat worden”, zei zijn gezicht. Een paar jaar later contracteerde hij wel Rob de Nijs voor zijn programma.

Maar hoe inspirerend ons thuis in Betondorp plus het Minervapaviljoen ook waren, het werd voor het derde seizoen ‘61-‘62 met drie klassen alweer te klein. Bovendien groeiden met het aantal klassen ook de financiële problemen. Door een strenge selectie vielen er in de loop van de jaren nogal wat studenten en daarmee dus lesgelden af. Verder was Jasperina de Jong ingelijfd door cabaret Lurelei en ging Loesje Hamel naar Shaffy Chantant. De hoogste (derde) klas bestond daardoor alleen nog uit Ronnie Bierman. In de tweede klas zaten nog 8 studenten, waarvan er 5 voorwaardelijk waren overgegaan. Ondertussen liepen de kosten voor huur en docenten gewoon door voor drie volledige leerjaren. Ik pendelde elke avond op de fiets heen en weer tussen Betondorp in Oost en de Minervalaan in Zuid. Overdag deed ik de administratie en publiciteit en was ik op de bedeltoer bij allerlei mogelijke sponsors. Of met studenten in de weer bij radio- en televisie-klusjes.

Voorzitter d’Aulnis was weliswaar volop in de slag met het Ministerie van O, K & W, maar er was gewoon geen geld meer om de docenten te betalen. Mijn eigen toch al minimale salaris was er al maanden bij ingeschoten, dus ook privé stond het water me tot de lippen.

In maart ‘62 zag ik er geen gat meer in. Ik kreeg mijn eerste burnout en zes weken voorgeschreven rust.

Tijdens een inderhaast samengeroepen crisisvergadering gaf de voltallige docentengroep aan bereid te zijn om de rest van het seizoen gratis door te gaan en zelf zou ik tijdelijk elders wat aanvullend inkomen zien te vergaren.

Ook hier bleek de redding nabij als de nood het hoogst is. Informeel kregen we ineens van de staatssecretaris te horen dat we in december een eenmalig bedrag konden verwachten, mits we kans zagen om weer een nieuw schooljaar te starten. Een taak, die ik na een aantal weken rust toch maar weer op me nam.

Stichting “De Cabaretschool” werd omgedoopt in “Stichting Akademie voor Kleinkunst” en 2e kamerlid Scheps ondersteunde me bij de gemeente Amsterdam voor een nieuw onderkomen met voldoende ruimte.


De crisis leek bezworen en we verhuisden naar een oud schoolgebouw aan de Albert Cuypmarkt. We konden er over de hele eerste verdieping beschikken. Drie grote lokalen, waarvan er met hulp van studenten en mokers twee werden doorgebroken voor een grote balletstudio annex theater.

Martin Brozius verdiende er zijn lesgeld met het aanmaken van de hoge ronde kachels en het schoonhouden van de lokalen en het stenen trappenhuis (waar hij in de winter meermalen met zijn dweil aan vastvroor).

Verder verdiende hij wat bij door in café Jan Cornelissen, op een tafeltje als podium, zijn bandrecorder-acts á la André van Duin op te voeren tot groot plezier van de marktkooplui.

Er kwamen een aantal docenten bij, waaronder o.a. Johan Verdoner (dans). In dat vierde jaar engageerde René Sleeswijk voor het eerst een paar niet-Engelse dansers voor zijn Snip & Snap-revue.

Studenten van ónze akademie!

 

En... eind 1962 kreeg bestuursvoorzitter d’Aulnis de Bourouil van zijn studievriend Y. Scholten, staatssecretaris van O, K & W, te horen dat een structurele subidie werd overwogen. De daarop volgende maanden kwamen er op verzoek van het Ministerie regelmatig bekenden uit de theaterwereld op bezoek, die mij het hemd van het lijf vroegen. Willy Walden, Dora Paulsen (die ik meteen kon strikken voor gastlessen), Conny Stuart, Wim Sonneveld, Wim Ibo en ambtenaren van O,K & W.

Begin 1963 kregen wij het bericht dat door het Ministerie voor het seizoen 1964 een eerste jaarsubsidie zou worden verstrekt. Voorwaarde was dat de opleiding zou worden toegevoegd aan de Toneelschool, onder leiding van directeur Pos. Dat kwam goed uit. Louis d’Aulnis wist al langer dat ik bij een subsidietoezegging zou opstappen en dat ik inmiddels al repeteerde met ZZ en de Maskers. Ik vroeg daarom Johan Verdoner, toen onze balletdocent, mijn taken over te nemen in de overgangsbesprekingen met de heer Pos. Uiteindelijk is Johan daar blijven zitten tot aan zijn pensioen.

Van die moeilijke en straatarme tijd heb ik nooit een dag spijt gehad.

Ik leerde heel veel over maatschappelijk functioneren en hield er veel bizondere contacten aan over.

In de twee jaren daarna ben ik nog sporadisch bij studentenvoorstellingen geweest. Meestal was ik veel te druk met verder gaan.

Misschien mijn beste, maar sociaal gezien tegelijkertijd zwakste eigenschap: “Kijk vooruit en zie niet om”.


Tot slot

Heeft het oprichten van zo’n veelzijdige opleiding zin gehad? JAZEKER!

Talent kun je van niemand leren. Maar de teksten van veel bekende talentvolle zangers en zangeressen zouden na een jaartje spraakles wél verstaanbaar zijn.

En een intensieve danstraining leert je, ook zonder te dansen, een ruimte te beheersen en geeft je besef van een gebaar en, nog veel belangrijker, van een lóós gebaar. Wie dagelijks moet optreden in het theater komt zonder dans-, spraak- en zangtechniek al snel zichzelf tegen. Stem kwijt, blessures, etc.


Graag vermeld ik nog in grote dankbaarheid de stoet van docenten en gastdocenten, die mij in die eerste vier jaren zo bevlogen en ruimhartig terzijde stonden en die (vaak om niet, maar altijd voor een prix d’amis) mee-investeerden in de opleiding van onze nieuwe kleinkunstgeneraties.

Annie Schuitema, Henk v Ulsen, Jack Dixon, Chris van der Velden, Georgette Rejewsky, Johan Verdoner, Nettie Hart, Bep Ogterop, Berend Boudewijn, mevr. Meter, Ruud Bos, Manuel v Loggem, Wim Sonneveld, Toon Hermans, Dora Paulsen, Erik Herfst, Ben Rowold, Bob Verstraete, Fred van der Laeken. Bij voorbaat mijn verontschuldingen aan degenen, die ik hier onbedoeld toch nog over het hoofd zou zien. Het was mij een eer met al die fantastische mensen te hebben mogen werken.