Herman Bouber, kunstenaar en ondernemer

De auteur, regisseur en producent

De Jantjes was niet Herman Bouber’s eerste stuk. Dat was Quo Vadis, een succesvolle toneelbewerking van een roman van Sienkiewicz, geschreven voor Delmonte’s houten schouwburgloge. Op 27 augustus 1917 debuteerde hij met zijn eerste eigen volksstuk Mooie Neel. Het werd gespeeld door het gezelschap Johan Langenaken in het Rozentheater in Amsterdam, waarna Piet Hesse er met zijn kermistent de provincie mee bereisde. Daarna kwam Bleeke Bet. Herman ontmoette in Grandcafé De Kroon Louis Davids, die hem introduceert bij Nap de la Mar. Deze brengt het stuk in 1918 met zijn eigen gezelschap in première in het Flora theater. Regie Nap de la Mar, liedjes Louis Davids, muziek van Margie Morris. Ook dit stuk was een triomf en Herman Bouber’s naam als schrijver van Jordaanstukken was definitief gevestigd. Hij ging hard aan het werk.

Herman Bouber in de 20er jaren

In 1919 gingen kort na elkaar Linke Louwtje en Oranje Hein in première, gevold door Perzik en Pruim, het eerste stuk dat hij zelf ook exploiteerde, samen met Delmonte jr. Het was een gunstige tijd. Het publiek had na de Eerste Wereldoorlog een grote behoefte aan vermaak. Bouber werd op drie plaatsen gespeeld. Perzik en Pruim in het Rozentheater, zijn nieuwste stuk Ploert in de Plantage Schouwburg en zelf bereisde hij de provincie. Begin 1920 huurt hij, met Jaques Sluyters als compagnon, de Plantage Schouwburg van Conot en Poons. Huurprijs: 20% van de recette met een wekelijkse garantie van f. 600 in de winter en f. 400 in de zomer. De verhuurder behield de exploitatie van de buffetten, alle verder kosten van verlichting, verwarming, reclame en artiesten voor de huurder. Het nieuwe ensemble Bouber en Sluyters start met De meid van het land. De publieke opkomst was matig, maar de kwaliteit van het gezelschap werd zo algemeen gewaardeerd dat burgemeester Tellegen een indirecte subsidie verstrekte in de vorm van teruggave van de 5% stedelijke belasting op de kaartverkoop. Het volgende stuk Publieke vrouw trok ook bepaald geen volle zalen. Herman schreef, uit nood geboren, De Jantjes, dat op 16 augustus in première ging. Alweer geen groot succes. Zaalhuur en salarissen konden worden betaald, maar dat was het wel. Er werd zelfs drie keer alvast een ander stuk in studie genomen, maar een advertentie bij de 100e voorstelling veroorzaakte de grote doorbraak. Plotseling zat de zaal avond aan avond bomvol. Zo vol dat er een tweede groep werd geformeerd om de voorstelling in het Rozentheater te spelen, En een derde groep om de provincie te bedienen. Dat ging zo zestien maanden door. Herman Bouber was een gevierd man met een banksaldo van zes cijfers. In die tijd een enorm vermogen, dat hij echter weer verspeelde door de veel te hoge huur die Sluyters overeenkwam met de Rotterdamse Circus-schouwburg in 1922. Het Rotterdamse publiek bleef weg. Er werd zo’n f. 6000 per dag verloren. In 1924 werd Rotterdam opgegeven.


Bouber bereisde ondertussen de kermissen met Blonde Ka en dat bracht genoeg op om de Plantageschouwburg weer te kunnen huren. Hoewel zijn nieuwe stuk De Clown het uitzinnige Jantjes-succes niet kon overtreffen, braken er betere tijden aan met De Jantjes II (of Als de kinderen groot worden) en een stuk van Johan Elsensohn Een huishouwe van Jan Steen. Bouber en Elsensohn schrijven dan samen Duif en Doffer. Door de uitstekende recensies stroomt het publiek weer toe. In 1928 wordt Elsensohn’s Allemaal Jan Klaassen op repertoire genomen, een nieuwe revue-vorm. Het is door extra kosten voor orkest en figuratie weer een enorm risico en er ontstond opnieuw een financiële crisis. Onder grote druk perst Herman er z’n zoveelste stuk uit: Zeemansvrouwen!


Dit stuk werd zo populair dat het door een artikel in dagblad De Tijd zelfs een Amsterdamse subsidie van duizend gulden kreeg. Voor die tijd een enorm bedrag. Herman Bouber, artiest in ziel en zaligheid, besteedde het geld direct aan een langgekoesterde wens: een modelopvoering van Maxim Gorki’s Nachtasiel.


scène uit Maxim Gorki's Nachtasiel

Bekende acteurs en actrices deden gratis mee, louter om de eer en liefde voor de Kunst. De voorstelling, geregisseerd door Cor Hermes, werd met overweldigend succes twee keer opgevoerd in de Stadsschouwburg op 15 maart 1928. Een matinee en een avondvoorstelling, elke uitvoering met een andere bezetting. Het was een artistiek hoogtepunt in de historie van het Nederlandse toneel. Dit inspireerde Herman tot een nieuw groot project. De Jordaan naar het boek van I. Querido met mdewerking van Querido zelf. Vanaf de première in 1929 liep het drie maanden storm in de Plantage Schouwburg, ondanks verhoogde toegangsprijzen. Nachtasiel luidde een nieuwe bloeiperiode in, die zou duren tot 1932. Het ensemble Bouber werkte samen met de VARA en het Instituut voor Arbeidersontwikkeling in wekelijkse radiohoorspelen, waarmee een groot publiek werd bereikt. Ook werden in die periode De Jantjes en Bleeke Bet verfilmd met geluid. In 1933 schreef Herman zijn misschien wel beste stuk De Commensaal, dat weinig publiek trekt. Een dreigende nieuwe financiële crisis wordt afgewend door een onverwachte gemeente-subsidie van f.1500.


Maar de bloeitijd lijkt voorbij. In 1935, net toen Herman bekend maakte zijn ensemble te willen opheffen, komt er nog een korte opleving. Hij schrijft in dat jaar mee aan de scenario’s van de films De big van het regiment -1935 en De vier Mullers-1935) en zijn Vrouwen voor iedereen stelt hem weer in staat om de Plantage schouwburg voor nog een aantal jaren te huren. Maar op 5 mei 1938 valt het doek voor deze thuishaven. Een nieuwe directie zag geen kans om het zakelijke beleid van de vorige te saneren en binnen enkele maanden werd de schouwburg verkocht aan drukkerij Kampert en Helm. Een tijdperk van onvoorstelbare successen was afgesloten.


De Boubers bleven op een kleinere schaal doorspelen, o.a. in de theaters Royal en Carré. Dan komt de Tweede Wereldoorlog met al zijn ellende. De arrestatie door de Duitsers van zoon Jan, zijn ter dood veroordeling, de inspanningen om dat vonnis verzacht te krijgen tot levenslang en uiteindelijk zijn overlijden in een gevangenis in Duitsland, het verlies van zoveel Joodse vrienden, waaronder Louis Davids, en de manier waarop Herman na de oorlog werd gepasseerd bij de oprichting van Het Nieuw Nederlands Volkstoneel, had hen beiden geknakt. Wel wordt weer het Gezelschap Bouber opgericht, waarmee zij nog twee toernees naar Indonesië in 1948 en ‘49 maken, gevolgd door kortere toernees langs de arbeiderskampen in de NoordOost Polder en een korte revival van De Jantjes in theater Carré in 1958. Maar de ondernemer Herman Bouber, die keer op keer als een Fenix uit zijn as wist te verrijzen, is nooit meer opgestaan. De Boubers speelden nog een tiental jaren mooie rollen in diverse grotere gesubsidieerde gezelschappen en niet zelden was Herman dan de reisleider van het gezelschap. Hij overleed op 2 februari 1963 en werd begraven vanuit de Stadsschouwburg. Een pionier op alle fronten, ereburger van Amsterdam en een gepassioneerde theaterreus, die ons de meest gespeelde, bewierookte en onverwoestbare publiekstrekker aller tijden naliet: DE JANTJES, dat tot in de 21e eeuw zijn faam hoog heeft gehouden. Nog in de jaren 1997 en 2005 bracht Joop van den Ende Theaterproducties De Jantjes met groot succes in de Nederlandse theaters.


De acteur

Herman Bouber’s prestaties als acteur lijken in de schaduw te staan van zijn schrijversschap, maar niets is minder waar. Juist zijn speelkwaliteiten en zijn opvattingen over acteren waren van grote invloed op zijn schrijfstijl en medebepalend voor zijn grote successen. Hij ontwikkelde binnen zijn eigen gezelschappen een haast filmische stijl van spelen en regisseren, die een voorbeeld werd voor het Nederlandse toneel tot in de 21e eeuw.


Hij speelde belangrijke rollen in de films: Bleeke Bet (1923), Oranje Hein (1925), Waar een wil is, is een weg (1931), Komedie om geld (1936), Oranje Hein (1936), Drie wensen (1937), Vadertje Langbeen (1938), Boefje (1939), Sterren stralen overal (1953), De Brug (1954), Dorp aan de rivier (1958). Aan een aantal van deze films werkte hij bovendien mee als regisseur en/of scenarioschrijver.

Een opsomming van al zijn toneel- en televisierollen valt buiten de opzet van deze website.


Bibliologie toneelstukken van Herman Bouber

  • 1916 - Mooie Neel
  • 1917 - Bleke Bet
  • 1918 - Oranje Hein, Perzik en Pruim
  • 1919 - Linke Louwtje, Ploert
  • 1920 - Publieke vrouw, De Jantjes
  • 1922 - Ronde Ka, Duif en Doffer (met Elsensohn), De Clown, Perzik en Pruim
  • 1923 - De Jantjes II
  • 1927 - Blok en Blits
  • 1928 - Zeemansvrouwen
  • 1933 - De Commensaal
  • 1934 - Het kind van de buurvrouw (met Elsensohn)
  • 1936 - Vrouwen voor iedereen
  • 1937 - Het kind van de voddenman
  • 1945 - Mensenroof
  • ???? - De matrozen van de K13, De kermismeid, Het is anders, Blonde Ka,

    Ome Sally, De kelnerin (met Johan Elsensohn), Trees, de meid van het spul,

    Manussie van alles (met Kees Pruis, muziek: Eugène Beeckman)

Bewerkingen

  • 1920 - Meid van het land (naar Emile Zola)
  • 1930 - Een vreemde eend in de bijt (naar L. Charbonnel)
  • 1931 - De Jordaan (naar I. Querido)
  • ???? - Tine Kipra’s echtscheiding (naar François Pauwels)
  • ???? - Kriebeltje’s hoogtepunt (naar Willem van Iependaal)
  • ???? - Avonturen van de brave soldaat Schwejk (met Jan Lemaire)

Verfilmingen van Bouber-stukken

Stomme films:

  • De Jantjes (1922), Bleke Bet (1923), Amsterdam bij nacht (Ronde Ka, 1924), Oranje Hein (1925).

Geluidsfilms:

  • Zeemansvrouwen (1930), De Jantjes (1934), Bleeke Bet (1934), Oranje Hein (1936).